Maak zinnen die vlot weglezen, door
- de kern voorop te zetten.
- voorzetsels waar mogelijk te vermijden.
- de zinslengte te variëren. Streef naar twaalf tot vijftien woorden per zin en wissel af met zinnen van tien tot veertig woorden.
- zinnen actief te maken. Werkwoorden brengen actie in een zin. Dan krijg je vanzelf minder voorzetsels en dat leest veel prettiger.
Vermijd meer dan één ontkenning in een zin
Een voorbeeld: Hij ontkent dat het onwaarschijnlijk is dat de directeur vertrekt.
Maak ervan: Hij geeft aan dat de directeur waarschijnlijk vertrekt.
Vermijd vaag en omslachtig taalgebruik
Een voorbeeld: Desalniettemin neemt hij in overweging om een afwachtende houding aan te nemen ten aanzien van de reactie van zijn opdrachtgever.
Maak ervan: Toch overweegt hij de reactie van zijn opdrachtgever af te wachten.
Wees consequent
- Blijf in dezelfde tijd.
- Spreek een lezer steeds met ‘je’ of steeds met ‘u’ aan.
- Hanteer consequent dezelfde schrijfstijl.
- Geef opsommingen dezelfde vorm. Zie deze opsomming.
Zet bij elkaar wat bij elkaar hoort
Een voorbeeld: De directie, die na een lange vergadering waar alle leden aanwezig waren omdat het belangrijke agendapunt, namelijk het
op de markt gaan brengen van duurzame producten, werd besproken omdat onderzoek heeft uitgewezen dat klanten dit steeds belangrijker zijn gaan vinden, gaat over tot een nieuwe bedrijfsstrategie.
Maak ervan: De directie gaat over tot een nieuwe bedrijfsstrategie. Na een lange vergadering, waar .... enzovoorts.
Schrijven is schrappen
Een voorbeeld: Het door hem gebruikte voorbeeld is in zekere zin eigenlijk toch wel achterhaald.
Maak ervan: Hij gebruikt een achterhaald voorbeeld.
En natuurlijk: zorg ook dat spelling, interpunctie, grammatica en verwijswoorden in orde zijn.
Komt u er niet uit? Vraag het Redigeerwerk! |